Gitaar.net

 
Wachtwoord kwijt?    Nog geen lid?
Forum: Vragen en opmerkingen
Pagina's: 1 2 3 Alle Volgende Huidige pagina: 1 van 3
berichtouwe hoeren
Gepost door: Pieter Koster
Datum: 11/03/2004 23:11

De discussie over stickers , kleurtjes, videoclips , gedichtjes , zogenaamd lollige gebeurtenissen en soortgelijke trash neemt schrikbarende vormen aan . De op informatie beluste gitaarliefhebber gruwt van dit soort ouwe wijven geleuter.Kan er niet een speciaal forum voor deze flauwekul komen? De naam kan niet moeilijk zijn : "ouwe hoeren" , "leuterkoek" , "damespraat" zijn een paar voorbeelden .
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Marc Brevoord
Datum: 11/03/2004 23:35

sorry hoor, maar man, zeur toch niet zo! misschien dat jij er nie van gedient ben, maar lees het dan ook nie en kijk zelf in de forums naar topics die jij wel interessant vind.
voor andere mensen is dit wel interessant, anders zouden ze het er niet over hebben.
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: peavey 82
Datum: 11/03/2004 23:46

we hebben daar toch al een plaats voor? "het gaat ook wel eens niet over gitaren"
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Anonieme bezoeker
Datum: 12/03/2004 06:29

"De op informatie beluste gitaarliefhebber"

hahahahahahahahahahaha gek
Wantijpop 2013 berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Jeroen
Datum: 12/03/2004 09:06

Zijn wij niet ALLEMAAL op informatie beluste gitaarliefhebbers? Dat heeft ons toch op deze site verenigd?
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Anonieme bezoeker
Datum: 12/03/2004 09:23

"damespraat", dat klinkt behoorlijk denigrerend voor de vrouwelijke gitaar.netters. Volgens mij hebben we het gitaarnet-forum-niveau nog lang niet bereikt en zullen we ook zeker niet bereiken dankzij die geweldige moderatoren.
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Arjan Appelman
Datum: 12/03/2004 09:28

Wat nu wel is gebleken de afgelopen tijd is dat er duidelijk een behoefte is naar een forum met de naam Gal Spuwen.

berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Anonieme bezoeker
Datum: 12/03/2004 09:53

Pieter, ik snap je ergernis, maar dit is volgens mij een open bulletin board, en als dit soort zaken voor veel mensen belangrijk zijn moet erover gesproken kunnen worden.

Maar ik ben het er wel zeker mee eens dat veel van die onderwerpen in de verkeerde forums staan. Zou wel fijn zijn als mensen daar een beetje op zouden letten. Mensen gaan naar een specifiek forum om over dat onderwerp te lezen en niet over andere zaken.

BTW Pieter, zou leuk zijn als je je profiel invulde.


Martin
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Anonieme bezoeker
Datum: 12/03/2004 10:32

Quote:
De op informatiebeluste gitaarliefhebber gruwt van dit soort oude wijven geleuter

Beetje flauw om alle gitaarliefhebbers over een kam te scheren, niet??? Voor het echte geleuter, gezanik, gezever of gezwam (ik gebruik liever niet het woord ouwehoeren, wat je trouwens aan elkaar schrijft, omdat ik jonge hoeren prefereer tong uit de mond grijns ) kun je terecht op het forum het gaat ook wel eens niet over gitaren..."

Het zijn ook vaak de onderwerpen die uitnodigen om te gaan leuteren, zaniken, zeveren of zwammen (wat is SHIFT F7 toch mooi, h). Als ik een onderwerp zie als dit dan weet ik bij voorbaat al dat er zal worden gezeverd. Ik, een op informatiebeluste gitaarliefhebber, ben dan ook dankbaar dat mensen zoals jij mij de kans geven om ff lekker te kunnen zwammen.

Groeten,
Een dankbare gitaarliefhebber.

berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Maurice Makaay
Datum: 12/03/2004 11:08

Dit is ook een taak voor de moderatoren. Met de nieuwe software voor het forum is het heel gemakkelijk geworden om een thread naar een ander forum te verhuizen. Dus moderatoren: zie je een thread ergens staan waar die niet thuishoort, dan kan deze gewoon verhuisd worden (nee, ik ga geen "prullenbak" forum aanmaken duivelse grijns).

Echt "loshangend geklets" kan gewoon in de "Het gaan ook wel eens niet over gitaren" thread, dus het lijkt me onzin om daar een extra forum voor in te richten. Verder wil ik ook niet zoveel tijd kwijt zijn aan het discussiëren over het forum in het forum. Net zoals je in een band niet eindeloos moet gaan zitten ouwehoeren over muziek (maar gewoon muziek moet maken) moet je in het forum onderwerpen bediscussiëren en niet het forum zlf.

Als een bepaalde thread je niet aanstaat, dan mag je deze rustig skippen. Anderen vinden het blijkbaar wel interessant om mee te doen aan de thread. Begin ook rustig zelf een nieuwe thread als je een ander onderwerp aan wilt snijden. Dat is de enige manier waarop een forum uiteindelijk goed kan werken. Elkaar afkatten omdat onderwerpen je niet aanstaan vind ik persoonlijk je reinste flauwekul.

My 2 -cents
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Pieter Koster
Datum: 13/03/2004 19:04

Even wat opmerkingen van mijn kant.Ten eerste moet ik toegeven dat ik mijn onderwerp nogal provocerend heb gebracht - met opzet - om wat pittige reacties los te maken.In de reactie van Martin kan ik mij helemaal vinden , ook een aantal opmerkingen van Maurice vind ik juist.Echter,Maurice,het gaat niet om discussie over het forum zelf , maar over het plaatsen van bepaalde onderwerpen in een specifiek forum. Persoonlijke aanvallen c.q. beledigingen horen inderdaad niet thuis op het forum.
Menno heeft helemaal gelijk met zijn ouwehoeren aan elkaar , ach, het was al laat na een lange dag werken en bovendien , ik gebruik het woord nagenoeg nooit (!)
Wat betreft DML ,hij stoort zich aan de uitdrukking "damespraat".
Hoewel ik al heb toegegeven in een provocatieve bui een en ander te hebben opgeschreven vind ik deze kritiek niet terecht: de uitdrukking "mannenpraat" wordt toch ook regelmatig gebruikt (zeker door dames) en daar stoort zich toch ook niemand aan? Of vindt DML dat ook denigrerend?
Mog even iets over profiel.Martin , dat heb ik inderdaad niet ingevuld , niet uit principe maar gewoon nog niet gedaan. Vraag me ook af of het iets bijdraagt in de discussies,ik lees ze zelf nauwelijks.Als forumleden het profiel zo belangrijk vinden , zouden zij eigenlijk ook het gebruik van initialen en schuilnamen ( zoals b.v. DML en peavey 82)ter discussie moeten stellen, ik vind dat zelf niet erg persoonlijk.
Wantijpop 2013 berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Jeroen
Datum: 13/03/2004 19:33

'Vroegah' had DML gewoon zijn eigen naam als naam tong uit de mond grijns. En de meesten van ons weten nog wel hoe hij heet. n, in zijn profiel staat een link naar een topic waarin hij uit de doeken doet wie hij is en wat hij doet.

DML zijn initialen, dus in dat opzicht nog vrij persoonlijk blij

Maar volledige namen hebben inderdaad wel meer.
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Anonieme bezoeker
Datum: 13/03/2004 20:07

Ik heb hier nog geen enkele dame "mannenpraat" zien typen. Helaas is het aantal gitarende of bassende dames dan ook beperkt, en nog beperkter is het aantal vrouwelijke gitaar.netters. Of ik me aan een dergelijke uitspraak erger of stoor is een kwestie van intepretatie. Je zegt dat je wat pittige reacties wilde losmaken, maar je vindt bepaalde opmerkingen niet terecht. Wie de bal kaatst......

Tja, ik moet me inderdaad bij Jeroen aansluiten: kijk iets verder en je ziet hoe persoonlijk mijn initialen zijn. Of ik mijn hele naam neerzet moet ik zelf weten. Of iemand zijn profiel wel of niet invult moet hij/ zij ook zelf weten. Feit is echter wel dat een ingevuld profiel iets meer laat zien van de persoon in kwestie dan alleen een naam. Het hoeft niets bij te dragen in de discussie maar als je ook op het forum wat verder kijkt dan zul je zien dat er nogal wat vragen worden gesteld als: "ik wil een nieuwe versterker, wat is een goede?". Deze vraag is vrij onvolledig maar als de vraagsteller zijn profiel heeft ingevuld, dan kun je daar meestal de ontbrekende informatie uithalen om met een behulpzame reactie te komen. Het is niet alleen discusieren wat we hier doen.

Al het bovenstaande onder het mom van "pittige reacties".

Met vriendelijk groet,

Dennis Maurice Leeflang
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Pieter Koster
Datum: 13/03/2004 21:06

Beste Dennis ,

Dank voor je reactie.Ik doelde niet speciaal op vrouwelijke gitaar.netters.
Wat betreft "pittige reacties", ik hoopte op wat meer inhoudelijke discussie , maar alleen de reacties van Martin en Maurice(Makaay)
voldoen daaraan.
Het zal mij worst wezen of iemand wel of niet zijn naam gebruikt, ik zelf vind het correct om het wel te doen, maar ja, tempora mutant et nos in illis mutamur!


Vriendelijke groet , Pieter Albert Koster
Frans de Meijer berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Frans de Meijer
Datum: 16/03/2004 16:21

Ah, een latinist.

Quid quid latine dictum sit, altum viditur!

Het gitaar.net forum is volgens mij juist een forum waar gewone namen vrij gemeengoed zijn en de meeste bijdragen/reacties toch serieus van aard zijn (bejaarde prostituees komen elders vaker voor).

De bijdragen van minder serieuze aard zijn vaak wel humoristisch. Zo kan ik vaak wel hartelijk lachen om de reacties van ene S.B. te A.

Dragen de reacties van Marc, Ben (peavey82), Dennis of Menno niet bij aan een inhoudelijke discussie?
Of gaat jouw voorkeur meer uit naar academische debatsnormen? blij

Enfin, genoeg humeuristisch geneuzel mijnerzijds.

-----

Even wat vertalingen voor de niet-gymnasiast:

Tempora mutant et nos mutamus in illis
"De tijden veranderen en wij veranderen mee"
Quid quid latine dictum sit, altum viditur!
Alles wat in het Latijn gezegd wordt, klinkt serieus
Wim swingt als een trein... berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Wim Bremer
Datum: 16/03/2004 17:01

Ik zeg niks.....
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Pieter Koster
Datum: 16/03/2004 22:48

Frans , leuk om een "klassiek geschoolde"gitarist te treffen!
Een aardige discussie met goede argumenten boeit mij meer dan het lezen van oneliners. Sommigen zullen dat juist "ouwehoeren" noemen
(weet zo gauw niet de Latijnse vertaling).
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Maurice Makaay
Datum: 17/03/2004 01:38

Zal ik dan maar een poging wagen? Ik houdt het op: prosedae antiquae. En als je echt een werkwoord wil hebben, dan is de volgende wellicht wat: blaterare.

blatero
blateras
blaterarum
blij
Frans de Meijer berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Frans de Meijer
Datum: 17/03/2004 09:47

Gna. Jouw vertaling klopt volgens mij wel.

Is blaterare niet Italiaans voor chatten? "Blaten" is sowieso (germanisme) een mooi Nederlands woord voor ouwehoeren. Mooier is nog het Achterhoekse nø(h)len.

Ook een leuke quote:
Vah! Denuone Latine loquebar? Me ineptum. Interdum modo elabitur. *)

*) Oeps! Sprak ik alweer Latijn? Domme ik. Soms is het er uit voor ik het weet.
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Maurice Makaay
Datum: 17/03/2004 11:55

In het latijn betekent blaterare wel iets dat dicht in de buurt komt van chatten. En met de duidelijke link naar ons "blaten" leek het me de meest geschikte vertaling voor ouwehoeren. En nølen achterhoeks? Vergeet nooit:

Noviomagus invenivit nølum heel erg blij

(Het is al even geleden, dus ik hoop dat ik de vervoegingen goed heb. Succes met vertalen!).
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Steef
Datum: 17/03/2004 15:42

*doet als "ouwehoer" [die toch nog aardig jong is] mee*

"Perduc in cealum; omnes animas, preasertim eas quae misericordiae tuae maxime indigent!"

*knuf* Steef, de jonge ouwe-hoer knipoog

("Leid naar de hemel; alle zielen, in het bijzonder deze die uw barmhartigheid het meest nodig hebben..."knipoog
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Anonieme bezoeker
Datum: 17/03/2004 16:57

En kijk nou toch eens. Dit gaat nu toch ook nergens over??

FORUM:
fo'rum (Lat.), o., 1. (oorspronkelijk) markt, plein te Rome, inz. dat tussen Kapitool en Palatijn waar het volk samenkwam om de publieke zaken te bespreken, recht te doen, enz.; iets brengen voor het forum der publieke opinie. Het in het openbaar bespreken.
2. bijeenkomst waarop een of meerdere deskundigen, c.q. kunstenaars een inleiding houden over een bepaald onderwerp en daarna daarover in discussie treden met het publiek.

Aldus de dikke van Dale, 10e editie.
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Maurice Makaay
Datum: 17/03/2004 17:31

@steef: cealum? Oh nee, *we mochten niet meer nølen over spelfouten* duivelse grijns Was dat geen stukje rozenkrans? (het komt me vaag bekend voor als iets dat ze ons ooit hebben laten vertalen in de lessen Latijn).
Wantijpop 2013 berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Jeroen
Datum: 17/03/2004 18:25

Dat was een citaat uit de epiloog van het eerste After Forever-album 'Prison of Desire'. Ik ben de titel van het nummer even kwijt, heb de CD niet bij de hand.

UPDATE: Mea Culpa
Wim swingt als een trein... berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Wim Bremer
Datum: 17/03/2004 19:04

Publius Vergilius MaroAeneis IArma virumque cano, Troiae qui primus ab orisItaliam, fato profugus, Laviniaque venitlitora, multum ille et terris iactatus et altovi superum saevae memorem Iunonis ob iram;multa quoque et bello passus, dum conderet urbem, 5inferretque deos Latio, genus unde Latinum,Albanique patres, atque altae moenia Romae. Musa, mihi causas memora, quo numine laeso,quidve dolens, regina deum tot volvere casusinsignem pietate virum, tot adire labores 10impulerit. Tantaene animis caelestibus irae? Urbs antiqua fuit, Tyrii tenuere coloni,Karthago, Italiam contra Tiberinaque longeostia, dives opum studiisque asperrima belli;quam Iuno fertur terris magis omnibus unam 15posthabita coluisse Samo; hic illius arma,hic currus fuit; hoc regnum dea gentibus esse,si qua fata sinant, iam tum tenditque fovetque.Progeniem sed enim Troiano a sanguine duciaudierat, Tyrias olim quae verteret arces; 20hinc populum late regem belloque superbumventurum excidio Libyae: sic volvere Parcas.Id metuens, veterisque memor Saturnia belli,prima quod ad Troiam pro caris gesserat Argisnecdum etiam causae irarum saevique dolores 25exciderant animo: manet alta mente repostumiudicium Paridis spretaeque iniuria formae,et genus invisum, et rapti Ganymedis honores.His accensa super, iactatos aequore totoTroas, reliquias Danaum atque immitis Achilli, 30arcebat longe Latio, multosque per annoserrabant, acti fatis, maria omnia circum.Tantae molis erat Romanam condere gentem! Vix e conspectu Siculae telluris in altumvela dabant laeti, et spumas salis aere ruebant, 35cum Iuno, aeternum servans sub pectore volnus,haec secum: 'Mene incepto desistere victam,nec posse Italia Teucrorum avertere regem?Quippe vetor fatis. Pallasne exurere classemArgivom atque ipsos potuit submergere ponto, 40unius ob noxam et furias Aiacis Oilei?Ipsa, Iovis rapidum iaculata e nubibus ignem,disiecitque rates evertitque aequora ventis,illum expirantem transfixo pectore flammasturbine corripuit scopuloque infixit acuto. 45Ast ego, quae divom incedo regina, Iovisqueet soror et coniunx, una cum gente tot annosbella gero! Et quisquam numen Iunonis adoretpraeterea, aut supplex aris imponet honorem?' Talia flammato secum dea corde volutans 50nimborum in patriam, loca feta furentibus austris,Aeoliam venit. Hic vasto rex Aeolus antroluctantes ventos tempestatesque sonorasimperio premit ac vinclis et carcere frenat.Illi indignantes magno cum murmure montis 55circum claustra fremunt; celsa sedet Aeolus arcesceptra tenens, mollitque animos et temperat iras.Ni faciat, maria ac terras caelumque profundumquippe ferant rapidi secum verrantque per auras.Sed pater omnipotens speluncis abdidit atris, 60hoc metuens, molemque et montis insuper altosimposuit, regemque dedit, qui foedere certoet premere et laxas sciret dare iussus habenas.Ad quem tum Iuno supplex his vocibus usa est: 'Aeole, namque tibi divom pater atque hominum rex 65et mulcere dedit fluctus et tollere vento,gens inimica mihi Tyrrhenum navigat aequor,Ilium in Italiam portans victosque Penates:incute vim ventis submersasque obrue puppes,aut age diversos et disiice corpora ponto. 70Sunt mihi bis septem praestanti corpore nymphae,quarum quae forma pulcherrima Deiopea,conubio iungam stabili propriamque dicabo,omnis ut tecum meritis pro talibus annosexigat, et pulchra faciat te prole parentem.' 75 Aeolus haec contra: 'Tuus, O regina, quid optesexplorare labor; mihi iussa capessere fas est.Tu mihi, quodcumque hoc regni, tu sceptra Iovemqueconcilias, tu das epulis accumbere divom,nimborumque facis tempestatumque potentem.' 80 Haec ubi dicta, cavum conversa cuspide montemimpulit in latus: ac venti, velut agmine facto,qua data porta, ruunt et terras turbine perflant.Incubuere mari, totumque a sedibus imisuna Eurusque Notusque ruunt creberque procellis 85Africus, et vastos volvunt ad litora fluctus.Insequitur clamorque virum stridorque rudentum.Eripiunt subito nubes caelumque diemqueTeucrorum ex oculis; ponto nox incubat atra.Intonuere poli, et crebris micat ignibus aether, 90praesentemque viris intentant omnia mortem. Extemplo Aeneae solvuntur frigore membra:ingemit, et duplicis tendens ad sidera palmastalia voce refert: 'O terque quaterque beati,quis ante ora patrum Troiae sub moenibus altis 95contigit oppetere! O Danaum fortissime gentisTydide! Mene Iliacis occumbere campisnon potuisse, tuaque animam hanc effundere dextra,saevus ubi Aeacidae telo iacet Hector, ubi ingensSarpedon, ubi tot Simois correpta sub undis 100scuta virum galeasque et fortia corpora volvit?' Talia iactanti stridens Aquilone procellavelum adversa ferit, fluctusque ad sidera tollit.Franguntur remi; tum prora avertit, et undisdat latus; insequitur cumulo praeruptus aquae mons. 105Hi summo in flucta pendent; his unda dehiscensterram inter fluctus aperit; furit aestus harenis.Tris Notus abreptas in saxa latentia torquetsaxa vocant Itali mediis quae in fluctibus arasdorsum immane mari summo; tris Eurus ab alto 110in brevia et Syrtis urguet, miserabile visu,inliditque vadis atque aggere cingit harenae.Unam, quae Lycios fidumque vehebat Oronten,ipsius ante oculos ingens a vertice pontusin puppim ferit: excutitur pronusque magister 115volvitur in caput; ast illam ter fluctus ibidemtorquet agens circum, et rapidus vorat aequore vortex.Adparent rari nantes in gurgite vasto,arma virum, tabulaeque, et Troia gaza per undas.Iam validam Ilionei navem, iam fortis Achati, 120et qua vectus Abas, et qua grandaevus Aletes,vicit hiems; laxis laterum compagibus omnesaccipiunt inimicum imbrem, rimisque fatiscunt. Interea magno misceri murmure pontum,emissamque hiemem sensit Neptunus, et imis 125stagna refusa vadis, graviter commotus; et altoprospiciens, summa placidum caput extulit unda.Disiectam Aeneae, toto videt aequore classem,fluctibus oppressos Troas caelique ruina,nec latuere doli fratrem Iunonis et irae. 130Eurum ad se Zephyrumque vocat, dehinc talia fatur: 'Tantane vos generis tenuit fiducia vestri?Iam caelum terramque meo sine numine, venti,miscere, et tantas audetis tollere moles?Quos egosed motos praestat componere fluctus. 135Post mihi non simili poena commissa luetis.Maturate fugam, regique haec dicite vestro:non illi imperium pelagi saevumque tridentem,sed mihi sorte datum. Tenet ille immania saxa,vestras, Eure, domos; illa se iactet in aula 140Aeolus, et clauso ventorum carcere regnet.' Sic ait, et dicto citius tumida aequora placat,collectasque fugat nubes, solemque reducit.Cymothoe simul et Triton adnixus acutodetrudunt navis scopulo; levat ipse tridenti; 145et vastas aperit syrtis, et temperat aequor,atque rotis summas levibus perlabitur undas.Ac veluti magno in populo cum saepe coorta estseditio, saevitque animis ignobile volgus,iamque faces et saxa volantfuror arma ministrat; 150tum, pietate gravem ac meritis si forte virum quemconspexere, silent, arrectisque auribus adstant;ille regit dictis animos, et pectora mulcet,sic cunctus pelagi cecidit fragor, aequora postquamprospiciens genitor caeloque invectus aperto 155flectit equos, curruque volans dat lora secundo. Defessi Aeneadae, quae proxima litora, cursucontendunt petere, et Libyae vertuntur ad oras.Est in secessu longo locus: insula portumefficit obiectu laterum, quibus omnis ab alto 160frangitur inque sinus scindit sese unda reductos.Hinc atque hinc vastae rupes geminique minanturin caelum scopuli, quorum sub vertice lateaequora tuta silent; tum silvis scaena coruscisdesuper horrentique atrum nemus imminet umbra. 165Fronte sub adversa scopulis pendentibus antrum,intus aquae dulces vivoque sedilia saxo,nympharum domus: hic fessas non vincula navisulla tenent, unco non alligat ancora morsu.Huc septem Aeneas collectis navibus omni 170ex numero subit; ac magno telluris amoreegressi optata potiuntur Troes harena,et sale tabentis artus in litore ponunt.Ac primum silici scintillam excudit Achates,succepitque ignem foliis, atque arida circum 175nutrimenta dedit, rapuitque in fomite flammam.Tum Cererem corruptam undis Cerealiaque armaexpediunt fessi rerum, frugesque receptaset torrere parant flammis et frangere saxo. Aeneas scopulum interea conscendit, et omnem 180prospectum late pelago petit, Anthea si quemiactatum vento videat Phrygiasque biremis,aut Capyn, aut celsis in puppibus arma Caici.Navem in conspectu nullam, tris litore cervosprospicit errantis; hos tota armenta sequuntur 185a tergo, et longum per vallis pascitur agmen.Constitit hic, arcumque manu celerisque sagittascorripuit, fidus quae tela gerebat Achates;ductoresque ipsos primum, capita alta ferentiscornibus arboreis, sternit, tum volgus, et omnem 190miscet agens telis nemora inter frondea turbam;nec prius absistit, quam septem ingentia victorcorpora fundat humi, et numerum cum navibus aequet.Hinc portum petit, et socios partitur in omnes.Vina bonus quae deinde cadis onerarat Acestes 195litore Trinacrio dederatque abeuntibus heros,dividit, et dictis maerentia pectora mulcet: 'O socii - neque enim ignari sumus ante malorum -o passi graviora, dabit deus his quoque finem.Vos et Scyllaeam rabiem penitusque sonantis 200accestis scopulos, vos et Cyclopea saxaexperti: revocate animos, maestumque timoremmittite: forsan et haec olim meminisse iuvabit.Per varios casus, per tot discrimina rerumtendimus in Latium; sedes ubi fata quietas 205ostendunt; illic fas regna resurgere Troiae.Durate, et vosmet rebus servate secundis.' Talia voce refert, curisque ingentibus aegerspem voltu simulat, premit altum corde dolorem.Illi se praedae accingunt, dapibusque futuris; 210tergora deripiunt costis et viscera nudant;pars in frusta secant veribusque trementia figunt;litore aena locant alii, flammasque ministrant.Tum victu revocant vires, fusique per herbamimplentur veteris Bacchi pinguisque ferinae. 215Postquam exempta fames epulis mensaeque remotae,amissos longo socios sermone requirunt,spemque metumque inter dubii, seu vivere credant,sive extrema pati nec iam exaudire vocatos.Praecipue pius Aeneas nunc acris Oronti, 220nunc Amyci casum gemit et crudelia secumfata Lyci, fortemque Gyan, fortemque Cloanthum. Et iam finis erat, cum Iuppiter aethere summodespiciens mare velivolum terrasque iacentislitoraque et latos populos, sic vertice caeli 225constitit, et Libyae defixit lumina regnis.Atque illum talis iactantem pectore curastristior et lacrimis oculos suffusa nitentisadloquitur Venus: 'O qui res hominumque deumqueaeternis regis imperiis, et fulmine terres, 230quid meus Aeneas in te committere tantum,quid Troes potuere, quibus, tot funera passis,cunctus ob Italiam terrarum clauditur orbis?Certe hinc Romanos olim, volventibus annis,hinc fore ductores, revocato a sanguine Teucri, 235qui mare, qui terras omni dicione tenerent,pollicitus, quae te, genitor, sententia vertit?Hoc equidem occasum Troiae tristisque ruinassolabar, fatis contraria fata rependens;nunc eadem fortuna viros tot casibus actos 240insequitur. Quem das finem, rex magne, laborum?Antenor potuit, mediis elapsus Achivis,Illyricos penetrare sinus, atque intima tutusregna Liburnorum, et fontem superare Timavi,unde per ora novem vasto cum murmure montis 245it mare proruptum et pelago premit arva sonanti.Hic tamen ille urbem Patavi sedesque locavitTeucrorum, et genti nomen dedit, armaque fixitTroia; nunc placida compostus pace quiescit:nos, tua progenies, caeli quibus adnuis arcem, 250navibus (infandum!) amissis, unius ob iramprodimur atque Italis longe disiungimur oris.Hic pietatis honos? Sic nos in sceptra reponis?' Olli subridens hominum sator atque deorum,voltu, quo caelum tempestatesque serenat, 255oscula libavit natae, dehinc talia fatur:'Parce metu, Cytherea: manent immota tuorumfata tibi; cernes urbem et promissa Lavinimoenia, sublimemque feres ad sidera caelimagnanimum Aenean; neque me sententia vertit. 260Hic tibi (fabor enim, quando haec te cura remordet,longius et volvens fatorum arcana movebo)bellum ingens geret Italia, populosque ferocescontundet, moresque viris et moenia ponet,tertia dum Latio regnantem viderit aestas, 265ternaque transierint Rutulis hiberna subactis.At puer Ascanius, cui nunc cognomen Iuloadditur,Ilus erat, dum res stetit Ilia regno,triginta magnos volvendis mensibus orbisimperio explebit, regnumque ab sede Lavini 270transferet, et longam multa vi muniet Albam.Hic iam ter centum totos regnabitur annosgente sub Hectorea, donec regina sacerdos,Marte gravis, geminam partu dabit Ilia prolem.Inde lupae fulvo nutricis tegmine laetus 275Romulus excipiet gentem, et Mavortia condetmoenia, Romanosque suo de nomine dicet.His ego nec metas rerum nec tempora pono;imperium sine fine dedi. Quin aspera Iuno,quae mare nunc terrasque metu caelumque fatigat, 280consilia in melius referet, mecumque fovebitRomanos rerum dominos gentemque togatam:sic placitum. Veniet lustris labentibus aetas,cum domus Assaraci Phthiam clarasque Mycenasservitio premet, ac victis dominabitur Argis. 285Nascetur pulchra Troianus origine Caesar,imperium oceano, famam qui terminet astris,Iulius, a magno demissum nomen Iulo.Hunc tu olim caelo, spoliis Orientis onustum,accipies secura; vocabitur hic quoque votis. 290Aspera tum positis mitescent saecula bellis;cana Fides, et Vesta, Remo cum fratre Quirinus,iura dabunt; dirae ferro et compagibus artisclaudentur Belli portae; Furor impius intus,saeva sedens super arma, et centum vinctus aenis 295post tergum nodis, fremet horridus ore cruento.' Haec ait, et Maia genitum demittit ab alto,ut terrae, utque novae pateant Karthaginis arceshospitio Teucris, ne fati nescia Didofinibus arceret: volat ille per aera magnum 300remigio alarum, ac Libyae citus adstitit oris.Et iam iussa facit, ponuntque ferocia Poenicorda volente deo; in primis regina quietumaccipit in Teucros animum mentemque benignam. At pius Aeneas, per noctem plurima volvens, 305ut primum lux alma data est, exire locosqueexplorare novos, quas vento accesserit oras,qui teneant, nam inculta videt, hominesne feraene,quaerere constituit, sociisque exacta referreClassem in convexo nemorum sub rupe cavata 310arboribus clausam circum atque horrentibus umbrisocculit; ipse uno graditur comitatus Achate,bina manu lato crispans hastilia ferro. Cui mater media sese tulit obvia silva,virginis os habitumque gerens, et virginis arma 315Spartanae, vel qualis equos Threissa fatigatHarpalyce, volucremque fuga praevertitur Hebrum.Namque umeris de more habilem suspenderat arcumvenatrix, dederatque comam diffundere ventis,nuda genu, nodoque sinus collecta fluentis. 320Ac prior, 'Heus' inquit 'iuvenes, monstrate mearumvidistis si quam hic errantem forte sororum,succinctam pharetra et maculosae tegmine lyncis,aut spumantis apri cursum clamore prementem.' Sic Venus; et Veneris contra sic filius orsus: 325'Nulla tuarum audita mihi neque visa sororumO quam te memorem, virgo? Namque haud tibi voltusmortalis, nec vox hominem sonat: O, dea certean Phoebi soror? an nympharum sanguinis una?sis felix, nostrumque leves, quaecumque, laborem, 330et, quo sub caelo tandem, quibus orbis in orisiactemur, doceas. Ignari hominumque locorumqueerramus, vento huc vastis et fluctibus acti:multa tibi ante aras nostra cadet hostia dextra.' Tum Venus: 'Haud equidem tali me dignor honore; 335virginibus Tyriis mos est gestare pharetram,purpureoque alte suras vincire cothurno.Punica regna vides, Tyrios et Agenoris urbem;sed fines Libyci, genus intractabile bello.Imperium Dido Tyria regit urbe profecta, 340germanum fugiens. Longa est iniuria, longaeambages; sed summa sequar fastigia rerum. 'Huic coniunx Sychaeus erat, ditissimus agriPhoenicum, et magno miserae dilectus amore,cui pater intactam dederat, primisque iugarat 345ominibus. Sed regna Tyri germanus habebatPygmalion, scelere ante alios immanior omnes.Quos inter medius venit furor. Ille Sychaeumimpius ante aras, atque auri caecus amore,clam ferro incautum superat, securus amorum 350germanae; factumque diu celavit, et aegram,multa malus simulans, vana spe lusit amantem.Ipsa sed in somnis inhumati venit imagoconiugis, ora modis attollens pallida miris,crudeles aras traiectaque pectora ferro 355nudavit, caecumque domus scelus omne retexit.Tum celerare fugam patriaque excedere suadet,auxiliumque viae veteres tellure recluditthesauros, ignotum argenti pondus et auri.His commota fugam Dido sociosque parabat: 360conveniunt, quibus aut odium crudele tyranniaut metus acer erat; navis, quae forte paratae,corripiunt, onerantque auro: portantur avariPygmalionis opes pelago; dux femina facti.Devenere locos, ubi nunc ingentia cernis 365moenia surgentemque novae Karthaginis arcem,mercatique solum, facti de nomine Byrsam,taurino quantum possent circumdare tergo.Sed vos qui tandem, quibus aut venistis ab oris,quove tenetis iter? 'Quaerenti talibus ille 370suspirans, imoque trahens a pectore vocem: 'O dea, si prima repetens ab origine pergam,et vacet annalis nostrorum audire laborum,ante diem clauso componat Vesper Olympo.Nos Troia antiqua, si vestras forte per auris 375Troiae nomen iit, diversa per aequora vectosforte sua Libycis tempestas adpulit oris.Sum pius Aeneas, raptos qui ex hoste Penatesclasse veho mecum, fama super aethera notus.Italiam quaero patriam et genus ab Iove summo. 380Bis denis Phrygium conscendi navibus aequor,matre dea monstrante viam, data fata secutus;vix septem convolsae undis Euroque supersunt.Ipse ignotus, egens, Libyae deserta peragro,Europa atque Asia pulsus.' Nec plura querentem 385passa Venus medio sic interfata dolore est: 'Quisquis es, haud, credo, invisus caelestibus aurasvitalis carpis, Tyriam qui adveneris urbem.Perge modo, atque hinc te reginae ad limina perfer,Namque tibi reduces socios classemque relatam 390nuntio, et in tutum versis aquilonibus actam,ni frustra augurium vani docuere parentes.Aspice bis senos laetantis agmine cycnos,aetheria quos lapsa plaga Iovis ales apertoturbabat caelo; nunc terras ordine longo 395aut capere, aut captas iam despectare videntur:ut reduces illi ludunt stridentibus alis,et coetu cinxere polum, cantusque dedere,haud aliter puppesque tuae pubesque tuorumaut portum tenet aut pleno subit ostia velo. 400Perge modo, et, qua te ducit via, dirige gressum.' Dixit, et avertens rosea cervice refulsit,ambrosiaeque comae divinum vertice odoremspiravere, pedes vestis defluxit ad imos,et vera incessu patuit dea. Ille ubi matrem 405adgnovit, tali fugientem est voce secutus:'Quid natum totiens, crudelis tu quoque, falsisludis imaginibus? Cur dextrae iungere dextramnon datur, ac veras audire et reddere voces?' Talibus incusat, gressumque ad moenia tendit: 410at Venus obscuro gradientes aere saepsit,et multo nebulae circum dea fudit amictu,cernere ne quis eos, neu quis contingere posset,molirive moram, aut veniendi poscere causas.Ipsa Paphum sublimis abit, sedesque revisit 415laeta suas, ubi templum illi, centumque Sabaeoture calent arae, sertisque recentibus halant. Corripuere viam interea, qua semita monstrat.Iamque ascendebant collem, qui plurimus urbiimminet, adversasque adspectat desuper arces. 420Miratur molem Aeneas, magalia quondam,miratur portas strepitumque et strata viarum.Instant ardentes Tyrii pars ducere muros,molirique arcem et manibus subvolvere saxa,pars optare locum tecto et concludere sulco. 425[Iura magistratusque legunt sanctumque senatum;]hic portus alii effodiunt; hic alta theatrisfundamenta locant alii, immanisque columnasrupibus excidunt, scaenis decora alta futuris.Qualis apes aestate nova per florea rura 430exercet sub sole labor, cum gentis adultoseducunt fetus, aut cum liquentia mellastipant et dulci distendunt nectare cellas,aut onera accipiunt venientum, aut agmine factoignavom fucos pecus a praesepibus arcent: 435fervet opus, redolentque thymo fragrantia mella.'O fortunati, quorum iam moenia surgunt!'Aeneas ait, et fastigia suspicit urbis.Infert se saeptus nebula, mirabile dictu,per medios, miscetque viris, neque cernitur ulli. 440 Lucus in urbe fuit media, laetissimus umbra,quo primum iactati undis et turbine Poenieffodere loco signum, quod regia Iunomonstrarat, caput acris equi; sic nam fore belloegregiam et facilem victu per saecula gentem. 445Hic templum Iunoni ingens Sidonia Didocondebat, donis opulentum et numine divae,aerea cui gradibus surgebant limina, nexaequeaere trabes, foribus cardo stridebat aenis.Hoc primum in luco nova res oblata timorem 450leniit, hic primum Aeneas sperare salutemausus, et adflictis melius confidere rebus.Namque sub ingenti lustrat dum singula templo,reginam opperiens, dum, quae fortuna sit urbi,artificumque manus inter se operumque laborem 455miratur, videt Iliacas ex ordine pugnas,bellaque iam fama totum volgata per orbem,Atridas, Priamumque, et saevum ambobus Achillem.Constitit, et lacrimans, 'Quis iam locus' inquit 'Achate,quae regio in terris nostri non plena laboris? 460En Priamus! Sunt hic etiam sua praemia laudi;sunt lacrimae rerum et mentem mortalia tangunt.Solve metus; feret haec aliquam tibi fama salutem.'Sic ait, atque animum pictura pascit inani,multa gemens, largoque umectat flumine voltum. 465 Namque videbat, uti bellantes Pergama circumhac fugerent Graii, premeret Troiana iuventus,hac Phryges, instaret curru cristatus Achilles.Nec procul hinc Rhesi niveis tentoria velisadgnoscit lacrimans, primo quae prodita somno 470Tydides multa vastabat caede cruentus,ardentisque avertit equos in castra, prius quampabula gustassent Troiae Xanthumque bibissent.Parte alia fugiens amissis Troilus armis,infelix puer atque impar congressus Achilli, 475fertur equis, curruque haeret resupinus inani,lora tenens tamen; huic cervixque comaeque trahunturper terram, et versa pulvis inscribitur hasta.Interea ad templum non aequae Palladis ibantcrinibus Iliades passis peplumque ferebant, 480suppliciter tristes et tunsae pectora palmis;diva solo fixos oculos aversa tenebat.Ter circum Iliacos raptaverat Hectora muros,exanimumque auro corpus vendebat Achilles.Tum vero ingentem gemitum dat pectore ab imo, 485ut spolia, ut currus, utque ipsum corpus amici,tendentemque manus Priamum conspexit inermis.Se quoque principibus permixtum adgnovit Achivis,Eoasque acies et nigri Memnonis arma.Ducit Amazonidum lunatis agmina peltis 490Penthesilea furens, mediisque in milibus ardet,aurea subnectens exsertae cingula mammae,bellatrix, audetque viris concurrere virgo. Haec dum Dardanio Aeneae miranda videntur,dum stupet, obtutuque haeret defixus in uno, 495regina ad templum, forma pulcherrima Dido,incessit magna iuvenum stipante caterva.Qualis in Eurotae ripis aut per iuga Cynthiexercet Diana choros, quam mille secutaehinc atque hinc glomerantur oreades; illa pharetram 500fert umero, gradiensque deas supereminet omnis:Latonae tacitum pertemptant gaudia pectus:talis erat Dido, talem se laeta ferebatper medios, instans operi regnisque futuris.Tum foribus divae, media testudine templi, 505saepta armis, solioque alte subnixa resedit.Iura dabat legesque viris, operumque laborempartibus aequabat iustis, aut sorte trahebat:cum subito Aeneas concursu accedere magnoAnthea Sergestumque videt fortemque Cloanthum, 510Teucrorumque alios, ater quos aequore turbodispulerat penitusque alias avexerat oras.Obstipuit simul ipse simul perculsus Achateslaetitiaque metuque; avidi coniungere dextrasardebant; sed res animos incognita turbat. 515Dissimulant, et nube cava speculantur amicti,quae fortuna viris, classem quo litore linquant,quid veniant; cunctis nam lecti navibus ibant,orantes veniam, et templum clamore petebant. Postquam introgressi et coram data copia fandi, 520maximus Ilioneus placido sic pectore coepit:'O Regina, novam cui condere Iuppiter urbemiustitiaque dedit gentis frenare superbas,Troes te miseri, ventis maria omnia vecti,oramus, prohibe infandos a navibus ignis, 525parce pio generi, et propius res aspice nostras.Non nos aut ferro Libycos populare Penatisvenimus, aut raptas ad litora vertere praedas;non ea vis animo, nec tanta superbia victis.Est locus, Hesperiam Grai cognomine dicunt, 530terra antiqua, potens armis atque ubere glaebae;Oenotri coluere viri; nunc fama minoresItaliam dixisse ducis de nomine gentem.Hic cursus fuit:cum subito adsurgens fluctu nimbosus Orion 535in vada caeca tulit, penitusque procacibus austrisperque undas, superante salo, perque invia saxadispulit; huc pauci vestris adnavimus oris.Quod genus hoc hominum? Quaeve hunc tam barbara morempermittit patria? Hospitio prohibemur harenae; 540bella cient, primaque vetant consistere terra.Si genus humanum et mortalia temnitis armaat sperate deos memores fandi atque nefandi. Rex erat Aeneas nobis, quo iustior alter,nec pietate fuit, nec bello maior et armis. 545Quem si fata virum servant, si vescitur auraaetheria, neque adhuc crudelibus occubat umbris,non metus; officio nec te certasse priorempoeniteat. Sunt et Siculis regionibus urbesarmaque, Troianoque a sanguine clarus Acestes. 550Quassatam ventis liceat subducere classem,et silvis aptare trabes et stringere remos:si datur Italiam, sociis et rege recepto,tendere, ut Italiam laeti Latiumque petamus;sin absumpta salus, et te, pater optime Teucrum, 555pontus habet Libyae, nec spes iam restat Iuli,at freta Sicaniae saltem sedesque paratas,unde huc advecti, regemque petamus Acesten.' Talibus Ilioneus; cuncti simul ore fremebantDardanidae. 560 Tum breviter Dido, voltum demissa, profatur:'Solvite corde metum, Teucri, secludite curas.Res dura et regni novitas me talia coguntmoliri, et late finis custode tueri.Quis genus Aeneadum, quis Troiae nesciat urbem, 565virtutesque virosque, aut tanti incendia belli?Non obtusa adeo gestamus pectora Poeni,nec tam aversus equos Tyria Sol iungit ab urbe.Seu vos Hesperiam magnam Saturniaque arva,sive Erycis finis regemque optatis Acesten, 570auxilio tutos dimittam, opibusque iuvabo.Voltis et his mecum pariter considere regnis;urbem quam statuo vestra est, subducite navis;Tros Tyriusque mihi nullo discrimine agetur.Atque utinam rex ipse Noto compulsus eodem 575adforet Aeneas! Equidem per litora certosdimittam et Libyae lustrare extrema iubebo,si quibus eiectus silvis aut urbibus errat.' His animum arrecti dictis et fortis Achateset pater Aeneas iamdudum erumpere nubem 580ardebant. Prior Aenean compellat Achates:'Nate dea, quae nunc animo sententia surgit?omnia tuta vides, classem sociosque receptos.Unus abest, medio in fluctu quem vidimus ipsisubmersum; dictis respondent cetera matris.' 585 Vix ea fatus erat, cum circumfusa repentescindit se nubes et in aethera purgat apertum.Restitit Aeneas claraque in luce refulsit,os umerosque deo similis; namque ipsa decoramcaesariem nato genetrix lumenque iuventae 590purpureum et laetos oculis adflarat honores:quale manus addunt ebori decus, aut ubi flavoargentum Pariusve lapis circumdatur auro. Tum sic reginam adloquitur, cunctisque repenteimprovisus ait: 'Coram, quem quaeritis, adsum, 595Troius Aeneas, Libycis ereptus ab undis.O sola infandos Troiae miserata labores,quae nos, reliquias Danaum, terraeque marisqueomnibus exhaustos iam casibus, omnium egenos,urbe, domo, socias, grates persolvere dignas 600non opis est nostrae, Dido, nec quicquid ubique estgentis Dardaniae, magnum quae sparsa per orbem.Di tibi, si qua pios respectant numina, si quidusquam iustitia est et mens sibi conscia recti,praemia digna ferant. Quae te tam laeta tulerunt 605saecula? Qui tanti talem genuere parentes?In freta dum fluvii current, dum montibus umbraelustrabunt convexa, polus dum sidera pascet,semper honos nomenque tuum laudesque manebunt,quae me cumque vocant terrae.' Sic fatus, amicum 610Ilionea petit dextra, laevaque Serestum,post alios, fortemque Gyan fortemque Cloanthum. Obstipuit primo aspectu Sidonia Dido,casu deinde viri tanto, et sic ore locuta est:'Quis te, nate dea, per tanta pericula casus 615insequitur? Quae vis immanibus applicat oris?Tune ille Aeneas, quem Dardanio Anchisaealma Venus Phrygii genuit Simoentis ad undam?Atque equidem Teucrum memini Sidona venirefinibus expulsum patriis, nova regna petentem 620auxilio Beli; genitor tum Belus opimamvastabat Cyprum, et victor dicione tenebat.Tempore iam ex illo casus mihi cognitus urbisTroianae nomenque tuum regesque Pelasgi.Ipse hostis Teucros insigni laude ferebat, 625seque ortum antiqua Teucrorum ab stirpe volebat.Quare agite, O tectis, iuvenes, succedite nostris.Me quoque per multos similis fortuna laboresiactatam hac demum voluit consistere terra.Non ignara mali, miseris succurrere disco.' 630 Sic memorat; simul Aenean in regia ducittecta, simul divom templis indicit honorem.Nec minus interea sociis ad litora mittitviginti tauros, magnorum horrentia centumterga suum, pinguis centum cum matribus agnos, 635munera laetitiamque dii.At domus interior regali splendida luxuinstruitur, mediisque parant convivia tectis:arte laboratae vestes ostroque superbo,ingens argentum mensis, caelataque in auro 640fortia facta patrum, series longissima rerumper tot ducta viros antiqua ab origine gentis.Aeneas (neque enim patrius consistere mentempassus amor) rapidum ad navis praemittit Achaten,Ascanio ferat haec, ipsumque ad moenia ducat; 645omnis in Ascanio cari stat cura parentis.Munera praeterea, Iliacis erepta ruinis,ferre iubet, pallam signis auroque rigentem,et circumtextum croceo velamen acantho,ornatus Argivae Helenae, quos illa Mycenis, 650Pergama cum peteret inconcessosque hymenaeos,extulerat, matris Ledae mirabile donumtong uit de mond grijnsraeterea sceptrum, Ilione quod gesserat olim,maxima natarum Priami, colloque monilebacatum, et duplicem gemmis auroque coronam. 655Haec celerans ita ad naves tendebat Achates. At Cytherea novas artes, nova pectore versatConsilia, ut faciem mutatus et ora Cupidopro dulci Ascanio veniat, donisque furentemincendat reginam, atque ossibus implicet ignem; 660quippe domum timet ambiguam Tyriosque bilinguis;urit atrox Iuno, et sub noctem cura recursat.Ergo his aligerum dictis adfatur Amorem:'Nate, meae vires, mea magna potentia solus,nate, patris summi qui tela Typhoia temnis, 665ad te confugio et supplex tua numina posco.Frater ut Aeneas pelago tuus omnia circumlitora iactetur odiis Iunonis iniquae,nota tibi, et nostro doluisti saepe dolore.Hunc Phoenissa tenet Dido blandisque moratur 670vocibus; et vereor, quo se Iunonia vertanthospitia; haud tanto cessabit cardine rerum.Quocirca capere ante dolis et cingere flammareginam meditor, ne quo se numine mutet,sed magno Aeneae mecum teneatur amore. Qua facere id possis, nostram nunc accipe mentem.Regius accitu cari genitoris ad urbemSidoniam puer ire parat, mea maxima cura,dona ferens, pelago et flammis restantia Troiae:hunc ego sopitum somno super alta Cythera aut super Idalium sacrata sede recondam,ne qua scire dolos mediusve occurrere possit.Tu faciem illius noctem non amplius unamfalle dolo, et notos pueri puer indue voltus,ut, cum te gremio accipiet laetissima Dido regalis inter mensas laticemque Lyaeum,cum dabit amplexus atque oscula dulcia figet,occultum inspires ignem fallasque veneno.' Paret Amor dictis carae genetricis, et alasexuit, et gressu gaudens incedit Iuli. At Venus Ascanio placidam per membra quieteminrigat, et fotum gremio dea tollit in altosIdaliae lucos, ubi mollis amaracus illumfloribus et dulci adspirans complectitur umbra.Iamque ibat dicto parens et dona Cupido regia portabat Tyriis, duce laetus Achate.Cum venit, aulaeis iam se regina superbisaurea composuit sponda mediamque locavit.Iam pater Aeneas et iam Troiana iuventusconveniunt, stratoque super discumbitur ostro. 700Dant famuli manibus lymphas, Cereremque canistrisexpediunt, tonsisque ferunt mantelia villis.Quinquaginta intus famulae, quibus ordine longamcura penum struere, et flammis adolere Penatis;centum aliae totidemque pares aetate ministri, qui dapibus mensas onerent et pocula ponant.Nec non et Tyrii per limina laeta frequentesconvenere, toris iussi discumbere pictis.Mirantur dona Aeneae, mirantur Iulumflagrantisque dei voltus simulataque verba, [pallamque et pictum croceo velamen acantho.]Praecipue infelix, pesti devota futurae,expleri mentem nequit ardescitque tuendoPhoenissa, et pariter puero donisque movetur.Ille ubi complexu Aeneae colloque pependit et magnum falsi implevit genitoris amorem,reginam petit haec oculis, haec pectore totohaeret et interdum gremio fovet, inscia Dido,insidat quantus miserae deus; at memor illematris Acidaliae paulatim abolere Sychaeum incipit, et vivo temptat praevertere amoreiam pridem resides animos desuetaque corda. Postquam prima quies epulis, mensaeque remotae,crateras magnos statuunt et vina coronant.Fit strepitus tectis, vocemque per ampla volutant atria; dependent lychni laquearibus aureisincensi, et noctem flammis funalia vincunt.Hic regina gravem gemmis auroque poposcitimplevitque mero pateram, quam Belus et omnesa Belo soliti; tum facta silentia tectis: 'Iuppiter, hospitibus nam te dare iura loquuntur,hunc laetum Tyriisque diem Troiaque profectisesse velis, nostrosque huius meminisse minores.Adsit laetitiae Bacchus dator, et bona Iuno;et vos, O, coetum, Tyrii, celebrate faventes.' Dixit, et in mensam laticum libavit honorem,primaque, libato, summo tenus attigit ore,tum Bitiae dedit increpitans; ille impiger hausitspumantem pateram, et pleno se proluit auropost alii proceres. Cithara crinitus Iopas personat aurata, docuit quem maximus Atlas.Hic canit errantem lunam solisque labores;unde hominum genus et pecudes; unde imber et ignes;Arcturum pluviasque Hyadas geminosque Triones;quid tantum Oceano properent se tinguere soles hiberni, vel quae tardis mora noctibus obstet.Ingeminant plausu Tyrii, Troesque sequuntur.Nec non et vario noctem sermone trahebatinfelix Dido, longumque bibebat amorem,multa super Priamo rogitans, super Hectore multa; nunc quibus Aurorae venisset filius armis,nunc quales Diomedis equi, nunc quantus Achilles.'Immo age, et a prima dic, hospes, origine nobisinsidias,' inquit, 'Danaum, casusque tuorum,erroresque tuos; nam te iam septima portat omnibus errantem terris et fluctibus aestas.' ************************************* Publius Vergilius MaroAeneis IEerste boek'k Zing den krijg en den man die het eerst, van Troje, als balling,Door het Noodlot geleid, naar Itali kwam en de kustenVan het Lavinische rijk; veel werd hij, ter zee en te lande,Door het geweld van de Goden geslingerd, om 't wrokken der wreedeJuno; veel leed hij in strijd, bij het stichten der stad, toen hij zijneGoden, met zich, in Latium bracht: van het volk der LatijnenD'oorsprong, der vaders van Alba, der statige muren van Rome.Muze, vertel mij wat oorzaak het had, wie der Goden gekrenkt was,Wat de vorstin van d'Olymp had gegriefd, dat zij zulk een gezwoeg dienVroomsten der menschen beschoor, en hem in zoo tallooze rampenHeeft gestort. Woont zulk een haat in onsterflijke zielen?Oudtijds was er een stad, een kolonie van Tyrische mannen,Over Itali lag zij, Karthago, ver over de mondingVan den Tiber, welvarende en stout in de kunsten van d'oorlog:Welke Juno gezegd wordt het meeste te hebben bevoorrecht,Meer dan Samos zelfs, dat dr haar wapenen waren,Dr haar strijdkar stond, terwijl zij hr, van den aanvangAf, tot gebiedster van d'aard had bestemd: - zoo het lot het gedoogde.Maar ook was haar voorspeld, dat een stam, uit Troje gesproten,Eens die Tyrische stad zou verwoesten en sedert uit dezen't Volk zou komen, dat Koning zou zijn, door de zege verheerlijkt,Tot verderf van het Libysche Rijk: dat de Parcen dit dreven.Dit dus vreesde Saturnus' kind en herdacht zich den oorlogDien zij, bij Troje, gevoerd had, vr allen, uit gunst tot d'Argivers;Ook waren nog niet die reednen van toorn, die haar hart eens zoo griefden,Uit haar zinnen gegaan; want diep in haar binnenste wrokten't Rechterlijk oordeel van Paris, de hoon der geminachte schoonheidEn het gehate geslacht en het eereambt van Ganymedes.Zoo dus, te meer nog vergramd, heeft zij 't overschot van de Trojanen,Wat de Daners niet hadden gedood noch de grimmige Achilles,Rondgeslingerd op zee en van Latium verre gehouden.Heel veel jaren dus zwierven zij om, door het Noodlot gedreven;Z veel werks had het in, het volk van Rome te gronden.Nauwelijks hadden zij dus het gezicht op Sicili verloren,Joegen zij blij met de riemen het schuim op en heschen de zeilen,Toen, haar eeuwige wond in het binnenste harte bewarend,Juno aldus overwoog: zou ik overwonnen versagen,Machteloos zijn dien Teucrischen vorst uit Itali te weeren?Immers, als 't noodlot verbiedt! En Pallas kon vloten verbranden,Grieksche ... en onder de vloeden kon zij hen zelven bedekken,Om ns enkelen schuld, den razenden Aiax Oileus?Zelve toch wierp zij het vliegende vuur van Jupijn uit de wolken,Smeet zij de kielen uiteen en joeg den wind door de golven,Maar hem zelf, terwijl hij de vlam uit de wond in zijn borst blies,Lichtte de wervelwind op, sloeg hem neer, aan de rots bleef hij hangen!En ik ... koningin van de Goden, die heersch op d'Olympus,Juppiter's zuster en vrouw, met n volk voer ik nu oorlog,Jaren en jaren aaneen. Aanbidt nog iemand mijn Godheid?Plaatst n smeekling zijn offer voortaan nog voor mij op het outer?Dit dus telkens weer, in haar brandend hart overwegend,Zocht zij het land der orkanen, dat zwangert van razende buien,Zocht zij Aelie op, waar koning Aelus vorst isEn de worstlende winden bedwingt en de huilende stormenOpsluit, in 't machtige hol, en ze boeit met keetnen en kerker.Zij, zij gonzen boos (en doen 't holle der bergen weerhallen)Rond de gegrendelde deur. En Aelus zit op de spitse,Voert den scepter, verzacht hun gemoed en lenigt hun woede.Deed hij het niet, n de zee n het land n de diepten der heemlenVoerden zij razende rond, met zich voort, en doorploegden den aether.Dus verborg hen de Vader in donkere, diepe spelonken,Hiervoor bezorgd, en hij dekte ze toe met geweldige bergenEn gaf een koning als heerscher, die, volgens gezette geboden,Wist hoe de teugels te korten en hoe, op bevel, ze te vieren.En tot dezen dus heeft zij de smeekende woorden gesproken:"Aelus, want aan U gaf de Vader der Goden, der menschenKoning, de vloeden te stillen en weer door den wind te verheffen,'t Volk van mijn haat vaart nu over de zee der Tyrrhenen en draagt zijnOverwonnen Penaten en Troje Itali binnen:Geef aan de winden dus kracht en bedelf mij hun zinkende stevens,Of, jaag hen uit elkaar en verstrooi hen alom op de golven.Tweemaal zeven nymphen zijn mijn, van voortreflijke schoonheid,Maar die de schoonste mag heeten, van allen, Diopeia,Geef ik U dan tot wettige vrouw, voor nu en voor eeuwig.Dat zij, voor zulk een dienst, met U, al de komende tijden,Leve, en U als vader een kroost, schoon als zij, moge baren."Waarop Aelus sprak: "Aan U, vorstin, uwe wenschenTe overwegen, aan mij is de plicht uw bevel te volbrengen.Gij toch gaaft mij dit rijk, want gij nijgt Juppiters scepter,Doet ons aanliggen aan het feestmaal der Goden en maakt onsMachtig over de winden en heerschende over de stormen."En ... toen dit was gezegd, zijn scepter naar onder gebogen,Stiet hij het holle gebergte in de zij en de winden, lijk krijgers,Rennen naar d'opening heen en doorwervlen, al waaiende, 't land enStorten zich dan op de zee. Zij graven die op uit haar diepten,Eurus en Notus te zaam en de buiigste wind, de Zuid-Wester,Dat op het strand, door hun krachten, zich slaan de ontzaglijke vloeden.Dadelijk volgt het roepen der mannen en 't fluiten der touwen;Plotseling dekken de wolken den hemel en doven het daglichtVoor der Trojanen gezicht; het is donkere nacht op het water;'t Gromt aan de polen en d'aether schittert van tallooze vuren.Alles verkondigt den dreigenden dood, alom tegenwoordig.En Aeneas verstijfde van schrik, 't liep hem koud langs de leden,Zuchtend sptak hij en strekte zijn handen, omhoog naar de sterren:"O, wel gelukkig zijn zij, zijn drie en vierwerf gelukkig,Wien het gegeven was, om voor het oog van hun ouders, te sneuvlenOnder de muren van Troje. O, sterkste van alle Danars,Tydeus' zoon! Kon ik dan niet vallen op Ilions velden,'t Leven er storten, geveld door uw waapnen, waar Hector, de sterkeViel door de spies van Achilles, waar viel Sarpedon, de machtge,Waar de Simois door 't water doet wentlen de schilden der mannenRusting en helm en gebeent van zooveel treflijke helden."En terwijl hij dit riep, sloeg een kleprende rukwind van 't NoordenOver den boeg en tegen het zeil en joeg tot de sterren't Water op, dat het riemwerk brak en de steven, door 't zwaaien,Schuins lag, het boord naar de zee en een roller, zoo steil als een bergwand.Sommigen dobberen hoog op het nat en aan anderen toont hetGapende water den bodem: de wind slaat wild in het zand neer.Drie heeft de storm van het Zuiden gesleurd en gestrand op de klippen,(Rotsen midden in zee, de Altaren geheeten bij 't zeevolk,Als een machtige rug in den vloed) en drie duwde de OostwindOp een ondiepe plaats en sloeg, deernisweerd om te aanschouwen,Tegen de zandplaten aan en wierp er een bolwerk van zand om;Een, dien de trouwe Orontes bevoer met het Lycische krijgsvolk,Trof, voor zijn oogen, een machtige breker, van boven, den spiegel,Spoelde den meester van 't dek, vorover, en sleurde hem mede.Maar 't schip zelf, ter plaatse waar 't was, draait de draaikolk, tot driemaal,Wringend, heelemaal rond en dan verslindt het de wieling.Enkelen duiken al zwemmende op, in d'onmeetlijken maalstroom;Wapenen, planken en schatten van Troje, verrijzen in 't water.Ilioneus' zoo zeewaardig schip en dat van Achates,Dat waar Abas op voer, reeds dat van den grijzen Aletes,Had de orkaan overwonnen: bij allen siepelde 't zeenatDoor de losse gebinten der kiel en de wijkende naden.Maar Neptunus bespeurde intusschen, ten felste verbolgen,Hoe, met vreeslijk geklots, zjn zee, door den stormwind, geschud werdEn hoe de watren van 't onderste diep naar den spiegel verrezen.En stak 't rustige hoofd, om het opene ruim te beschouwen,Boven de baren omhoog. Hij ziet er de vloot van Aeneas,Al overal, over 't zeevlak verspreid en hij ziet de Trojanen,Hard door de vloeden en door den val van den hemel bedrongen.Hem, haar broeder, ontgingen zij niet, Juno's listen en boosheid.Dus roept hij Oostwind en Westwind nabij en het volgende spreekt hij:"Hebt gij zveel vertrouwen gehad in 't geslacht van uw ouders?Hemel en aarde dus durft, u om mjn verlof niet bekreunend,Durft gij, winden, vermengen en zooveel last te verheffen?'k Zal ze ... Maar 't eerste wat dringt is de deining der vloeden te stillen.Andermaal zult gij uw feilen niet meer z billijk betalen.Vlucht nu, zoo vlug als gij kunt, en boodschapt dit aan uw Koning:'t Rijk der zee is niet aan hem, noch de vreeslijke drietand,Die zijn mij, door het lot. Hij beheersche de onmeetlijke rotsen,Uw huis, Eurus, en daar in dien hof mag Aelus groot doenEn er de winden regeeren, in kerkers die toe zijn gesloten."Sprak en sneller dan 't woord, kalmeert hij d'onstuimige golven,Jaagt de wolkengevaarten uiteen, voert de zon aan den hemel.En terwijl duwen Cymothoe en Triton de kielenVan het puntige rif, met hun schouders; hij zelf met zijn drietand,Opent de ondiepe zandbanken weer en berustigt het waterEn glijdt licht langs de toppen van 't nat met zijn vliegende wagen.Lijk somwijlen geschiedt, als het volk is te zamen geloopen,En bij 't gepeupel het oproer smeult en de harten verbittert;Steenen en fakkelen vliegen al rond en de woede vindt waapnen;Zien zij een man in wiens deugd en wiens diensten aan 't land zij gelooven,Dan houden ze in en zij zwijgen en staan met luisterende ooren;Hij regeert hun zielen door 't woord en verzacht de gemoedren.Zoo viel ook heel het tumult van de zee, toen de vader de golvenEens maar had overzien, bij openen hemel, en toen hij 'tVierspan mende, van 't ijlende rad, met de lossere teugels.Waar de vermoeide Trojanen de kust maar het dichtste nabij zienRoeien ze om 't ijligste heen en naderen Libye's oever.Hier vormt een eiland, aan 't eind van een baai, een veilige rede,Buiten 't geweld van den vloed, omdat zich de golf op zijn flankenBreekt, als zij aanrolt uit d'opene zee of zich deelt aan zijn zijden.Machtige rotsblokken zoomen de kust, twee klippen bedreigenHier den hemel en 't nat strekt veilig en wijd in hun luwte,Zonder geluid, en boven in 't rond, zijn in glinstrend bewegen,'t Loofhout en 't donkerder bosch, met de schaduw der dreigende dennen.Daartegenover de hangende rots en er onder een woningVoor de nymphen, een grot, waar zetels van levenden steen zijn,En het water zoet is. Aldaar zijn de moeide galeienZonder kabels in rust en het anker hoeft daar niet te hechten.Hier dus is Aeneas gevlucht, met een zevental schepen,Over uit heel het getal, en hunkerend weder op vastenBodem te treden, ging 't scheepsvolk aan wal en zij strekten begeerig't Lijf, dat droop van het zout, op het hun zoo dierbare zand uit.En Achates sloeg het eerste de vonk uit den vuursteen,Ving haar in bladeren op en stapelde er brandstof en droogeTakken omheen en verkreeg in dien tonder al spoedig de vlammen.Verder brachten zij 't vochtige graan en het noodig gereedschap,Moe van der dingen gebeuren, aan land en bereidden zich voor deKorrels te roosteren en nog heet onder steenen te malen.Maar Aeneas klom intusschen de klip op en speurde,Over d'ontzaglijke vlakte der zee, of hij nergens Anthus'Slingrenden bodem kon zien of Frygie's dubble galeien,Die van Capys, of 't schild van Cacus, op 't hoogst van den spiegel.Maar geen enkel schip was in zicht; wel dwaalde een drietalPrachtige herten op 't strand, aan het hoofd van de volgzame kudden,Weidende wijduit gerijd in het dal en als krijgers geordend.Mt stond hij stil; greep koortsig den boog en de vliegende pijlen,Die de trouwe Achates hem droeg en velde de leiders't Allereerste ter neer, die de koppen zoo statig verhieven,Met het breedvertakte gewei, toen het volk, en toen joeg hijHen, hen met zijn pijlen vervolgend, in wanorde 't bosch in.En hij liet niet af, eer zeven geweldige beestenNeder waren gestrekt, wat aan 't aantal der schepen gelijk was;Zocht de haven weer op en verdeelde ze onder zijn makkers;Schonk vervolgens den wijn aan hen uit, dien, toen zij vertrokkenVan Sicili's strand, de heldhaftige en goede AcestesHun in kruiken gebotteld had en bij 't afscheid gegeven,En verzachtte 't neerslachtig gemoed met vertroostende woorden:"O mijn gezellen, voor ons, is de rampspoed toch zeker geen vreemde,O, gij die erger doorstaan hebt, een God zal ook dit eens benden.Gij zijt de razende Scylla genaderd, voert rakelings langs dieRots, wier diepte weerklinkt, gij kent den Cycloop en zijn steenworp,Roept uw vertrouwen terug en verbant de beklemmende vreeze;Eens misschien wordt ook dit, wat geschied is, u zoet te herdenken.Ziet, door zooveel gebeuren, door zooveel gevaarlijke kansen,Naken wij Latiums kust, waar het Lot ons ruste en vredeVast heeft beloofd: dr, dr is het recht, dat Troje weer opstaat.Weest dus volhardend en houdt u bereid voor de dingen der Voorspoed."Dit het woord dat hij sprak en ziek van onmeetlijke zorgenVeinst hij de hoop op 't gelaat en bedwingt, in zijn hart, al zijn kommer.Maar zij maakten zich op voor den buit en den komenden maaltijd;Rukten de huid van de ruggen, ontbootten 't geweide en snedenVerder het lillende vleesch aan stuk en staken 't aan 't braadspit.Anderen zetten de ketels op 't strand en gevlijd op de grazige zodenWerden zij vol van den jarigen wijn en het smeuige wildbraad.Maar, toen de honger gestild was en 't eten weer weg was genomen,Zochten zij hunne verloren gezellen in lange gesprekken,Weiflende tusschen hun hoop en hun vrees: of zij moesten geloovenDat zij leefden, of waren gegaan en geroepen ... niet hoorden.En de godvruchtige Aeneas, betreurde, al zwijgend, het eerste,Vr alle andren, het lot van Amycus, den kloeken Orontes,'t Onheil van Lycus en Gyas den held en den sterken Cloanthus.En reeds zweeg elk stil, toen Juppiter, hoog uit den aether,Ziend naar de scheeprijke zee en de diepgelegene landen,Ziend naar de stranden en tallooze sten, op de tinne des hemels,Staan bleef en zijn blik op Libyes kusten gericht hield.En terwijl hij zoo stond en zijn zorg overwoog in zijn harte,Sprak hem Venus, vol droefenis, aan, haar glinsterende oogenVol van tranen: "O gij, die de menschlijke en godlijke dingenVast in bedwang houdt, door eeuwig gezag, gij, wiens bliksems wij vreezen,Wat kon, tegen U, mijn Aeneas z vreeslijks bedrijven,Wat de Trojanen, dat hun, na zoovele rampen te lijden,Om Itali's wil n de zee n de landen versperd zijn?Zeker, gij hebt het beloofd, dat eens, uit hen, de Romeinen,Uit het herborene bloed van teucer, als leiders der volken,Heer zouden zijn over ieder zee, over alle gewesten;Wat, o vader, heeft nu, zoo in eens, uw meening veranderd?Moest ik dien klaaglijken val, de verwoesting van Troje, herdenkenDan bleef dit mijn troost en noodlot woog op tegen noodlot.Thans vervolgt hen de tegenspoed weer, dat door rampen geplaagdeVluchtende volk. Welk eind, stelt gij eens aan hun moeiten, mijn koning?Want Antenor drong, aan de omsingling der Grieken ontkomen,Door tot Illyrie's golf en bereikte zoo, veilig, het binnenstVan het Liburnische rijk. Hij steeg op tot de bron der Timavus,Waar die, met negen monden, met machtig gemurmel der bergen,Groot als een zee ontspringt en zich ruischend verspreidt over de akkers.En zoo stichtte hij daar Patavum, een zetel der Teucrers,Gaf een naam aan het volk, hing Ilions wapenen op en Thans, in zoetvlietende vrede bevredigd, geniet hij zijn ruste;Wij, die uw kinderen zijn, wien gij 's hemels burchten beloofd hebt,Wij, wier vloot is vergaan, omdat die enkele ons haatte,Worden geweerd van Italie's strand en van ieder verstooten.Is dat de eer waar vroomheid in staat? Geeft gij z ons dien scepter?"Maar hij lachte haar toe, hij de zaaier van Goden en menschen,Met dien glimlach waarmee hij de lucht en de stormen verheldert,Kuste haar op het voorhoofd en sprak: "Vrees niet, Cytherea,Onverwrikt voor uw kroost blijft het lot, Laviniums muren,Eens u beloofd, zult gij zien en gij zult den edlen AeneasTot de sterren des hemels verheffen - niets heb ik veranderd.Hij toch zal (want indien dan die zorg U zoo bijt zal ik spreken,En wat breeder 't geheim van het lot voor uw oogen ontrollen)In Italie een krijg vol ontzetting ontkeetnen en hareStrijdbare volken verpletten, een bouwer van steden en zeden.En drie maal zal de zon hem als koning in Latium aanschouwen,Driemaal den hem onderworpen Rutulen de winter voorbijgaan.Maar de knaap Ascanius, die den toenaam IlusDraagt, (maar Ilus was 't nog, toen 't verhevene Ilium hoog stond)Die zal dertig jaar, bij het stage verwislen der maanden,Heerscher zijn en den zetel des rijks van de stad van LatinusOverbrengen en hij zal Alba geweldig omwallen.Hier zal Hectors geslacht driehonderd jaren regeeren,Tot de vorstlijke priesteres, door Mavors bezwangerd,Dezen tweelingen baart, in het goudgele wolfsvel gemanteld,Wijl een wolvin hem tot voedster verstrekte, zal Romulus al zijnKrijgers vergaren, den wal, aan Mavors gewijd, zal hij bouwenEn geeft hun, naar den naam dien hij draagt, den naam van Romeinen.Dezen stelde ik geen mate van macht en geen grenzen van jaren;Hun een gezag dat geen kentering kent. Zelfs Juno, de wrange,Die, uit vrees, nu aan zee en land en hemel geen rust laat,Zal dan, beter gezind, me, steun en bescherming verleenen,Rome's mannen, d' in toga's gekleeden beheerschers der wereld.Z is 't beschikt. Ja, de tijd zal eens komen, bij 't glijden der eeuwen,Dat Assaracus' huis zich Phtias dienstbaar zal maken,'t Wijdberoemde Myceen en het overwonene Argos.Dan, uit schoonen stam, zal Caesar, de Trojer, ontspruiten,Wien d'Oceaan zijn gebied, het gestarnte zijn roem zal begrenzen:Julius, met een naam die stamt van den grooten Ilus.Dezen zult gij, bevrijd van uw vrees, in den hemel ontvangen,Met den krijgsbuit van d'Oost, men zal hm in gebeden bevragen.Sedert verzacht zich de tijd en nadert de eeuwige vrede.Vesta en d'oeroude Trouw en, naast Remus, zijn broeder QuirinusSpreken dan recht. En de vreeslijke poort van den krijg wordt gesloten,Met zijn grendels van staal. Daarbinnen schuimbekt de Dolheid,Gruwlijk, met bloedigen mond, op de roeklooze waapnen gezeten,Ruggelings stevig in keetnen gekneld en met ijzer gekneveld."Sprak en zond Mercurius af, van den hemel naar de aarde,Dat het land met den burcht van het nieuwe Karthago, den Teucrers,Gastvrij open zou staan en Dido, die 't noodlot niet kende,Hen aan de grenzen niet weigeren mocht. Hij doorsnijdt dus het luchtruim,Roeit met de wieken en strijkt op de kust van Libye neder.Reeds volbrengt hij zijn last en de Puniers leggen hun felheidAf, naar bevel van den God, en een trouw en welwillend gevoelen,Voor de Trojanen, vervult hun gemoed, dat van Dido het meeste.Maar Aeneas besloot, nadat hij in duizend gepeizenHeel den nacht had doorwaakt, zoodra weer de lieflijke morgenWas verrezen, 't gevondene oord en de kust, waar zij landden,En (want niets was bebouwd), wie er woonde, de mensch of het roofdier,Te verkennen en dan aan zijn volk zijn bevinden te melden.Dus verborg hij zijn vloot in een bocht van den woudzoom en onderOverhangende rots, door sluitende schaduw omgeven,En vertrok, alleen vergezeld van den trouwen Achates,Met twee spiesen, waarvan het hout met ijzer bekleed was.Maar, in het midden van 't bosch, kwam zijn godlijke moeder hem tegen,Jong van gelaat en jonkvrouwlijk van kleed en met maagdlijke waapnen,Op een Spartaansche gelijkend, of Harpalic, die het ThracischRos, in vliegenden vaart, den vliegenden Hebrus voorbij jaagt.Want de handzame boog hing, naar het gebruik, bij de jaagsterVan de schouders af en heur haar gaf zij los aan de winden,Bloot was de knie en de beet van een gesp hield de plooien te zamen.Zelve ving ze aan en zij sprak: "Ai, zegt mij, jonglingen, hebt gijOok bij toeval mijn zuster gezien, met den pijlkoker over't Vlekkige kleed van de lynx, terwijl zij in d' omtrek hier doolde,Of het schuimbekkende zwijn, op zijn vlucht, met kreten vervolgde?"Zoo dus Venus en Venus' zoon gaf antwoord en zeide:"Neen, haar zag ik niet en ik hoorde ook geene uwer zusters.Maar, hoe spreek ik u aan? Niet menschelijk toch zijn uw trekkenEn uw stem heeft geen sterflijken klank: Godin dus voorzeker.Phoebus' zuster misschien of eene der nymphen? Maar immer,Wie gij ook zijn moogt, heil! Ach, ik bid u, verlicht onzen arbeid.Wil ons melden waar 't lot ons dreef, naar welk deel van de wereld,Onder de zon, want wij dwalen hier rond, door den stormwind gedreven,Zonder iets van het land of van hen die 't bewonen te kennen.Menig offer zal mijn hand voor uw outer doen vallen."Toen sprak Venus: "Die eer is te groot en ik ben haar niet waardig.'t Is zoo zede, bij Tyrische maagden, den koker met pijlenOm te doen en met purperen rijlaars de kuit te ombinden.Punisch is 't rijk dat gij ziet en het volk uit de stad van Agenor.Maar, het is Lybisch land en een ras onbedwingbaar in d'oorlog.Dido voert hier scepter en kroon, zij die wegvlood uit Tyrus,Voor haar eigen broer. Maar het ware te veel u diens heeleMisdaad te ontvouwen, dus deel ik alleen het belangrijkste mede:Met Sychaeus was zij getrouwd, hem, den rijksten in land vanHeel het Phoenicische volk en dien zij mateloos lief had,Die haar, maagd, van haar vader ontving, toen de teeknen der GodenDit hem hadden vergund. En haar broer, die Pygmalion heette,Heerschte als koning van Tyrus en was een reus in de misdaad.Tusschen die beiden ontkiemde de haat en hij heeft, trots de Goden,Door zijn geldzucht verblind, met zijn zwaard, vr de huislijke altaren,In het geniep en onverwachts, Sychaeus verslagen,Onverschillig om haar, heeft het lang voor de zieke verborgen,En haar hartstocht met leugens gepaaid en met hope bedrogen.Maar een nacht toen zij sliep, verscheen haar het spook van haar gade,(Zelfs niet ter aarde besteld): het verhief op zeldzame wijze't Lijkbleek gelaat en ontblootte 't geheim dier wreede altaren,En zijn met staal doorstoken borst en ontdekte geheel hetZwijgend mysterie van 't huis. Toen ried hij haar ijlings te vluchtenWeg uit haar land en hief uit den grond de reeds tijden verborgenMaatlooze schatten van zilver en goud, tot behulp op de reize.Dido was hevig ontsteld en bereidde de vlucht voor n wierf zichVrienden. Zij kwamen te zaam, die de haat voor den dwingeland kweldeOf de knagende vreeze bewoog. Op schepen, toevalligZeilklaar, legt men de hand, men belaadt ze met goud en de golvenDragen Pygmalions hebzucht en schat: een vrouw is de leidster.Z dus, zijn zij geland, waar gij nu de ontzaglijke murenEn den verrijzenden burcht van het nieuwe Karthago zult schouwen.Maar gij, wie zijt gij? Van wat voor kusten gekomen,Of waarheen is de reis?" En, zuchtend, gaf hij ten antwoord,Toen zij hiernaar vroeg, met een stem uit het diepst van zijn boezem:"Godlijke, zoo ik bij 't eerste begin wil beginnen en voortgaEn gij tijd hebt te hooren naar heel de kroniek onzer rampen,Dan legt Vesper, voor 'k eindigen kan, den dag weer te rustenIn den gesloten Olymp. Van het oeroud Troje gevaren,Zoo gij bij toeval dien naam hier al kent, dreef de storm, naar zijn luimen,Ons naar een andere zee en wierp ons op Libyes kusten;Maar de godvruchtige Aeneas ben ik, die, uit vuur en uit vijand,Mijne Penaten in't scheepsruim voer, vermaard tot de sterren.'k Zoek Italie, mijn land, mijn geslacht dat uit Juppiter voortsproot.Stak met twintig schepen van wal, van den Phrygischen oever,Ging lijk mijn Godlijke moeder mij wees, op den roep van het Noodlot,Zeven zijn nauwelijks over, door zee en door stormen geteisterd.Nu dool ik zelf door dit wildvreemde land, door het eenzaamste Libye,Ik dien Euroop en dien Azie verstiet." Maar Venus gedoogdeToen geen verdere klacht en aldus onderbrak zij zijn smarten:"Wie gij ook zijt, niet den Goden gehaat, zoo moet ik gelooven,Haalt gij adem, die thans onze Tyrische stad zult betreden.Ga slechts voort en begeef u van hier naar den vorstlijken drempel.Want, zoo mijn ouders mij niet in een ijdele kunst onderwezen,Toen zij mij leerden de vlucht van de vogels te duiden, zoo weet dat,Door voorspoedigen wind naar veilige stranden gedreven,Heel uw leger is wedergekeerd, heel uw vloot is behouden.Die twaalf zwanen, die dr, verblijd, hun orde bewarenEn die Juppiters vogel, van boven uit d' aether geschoten,Pas nog langs d' openen hemel vervolgde; zij zoeken in langeRij reeds plek of zij zien naar de plek die zij hebben gekozen;Zoo als zij, die daar eerst, wijdkrings, al zingende vlogenThans reeds, dicht bij het land, met de snerpende vleugelen spelen,Zoo ook, houden uw schepen, met al uw makkers, alreedeHaven of koersen naar kust, met den ruimeren wind in de zeilen.Ga slechts verder en volg slechts den weg, door het voetpad gewezen."Sprak en wendde zich om en haar nek ontgloeide als de rozen;En haar hemelsche haren verspreidden de godlijkste geuren;'t Kleed daalde op haar voeten ter neer en zij bleek zonder twijfelReeds door haar gang een Godin. Maar hij, zoodra hij zijn moederHad herkend, vervolgde haar vlucht, met verwijtende woorden:"Hoe misleidt gij, zelfs gij onbarmhartig, zoo dikwijls uw eigenZoon door een beeld vol bedrog? Gunt hem nimmer de druk van uw handenOf om zonder leugen te spreken, als moeder en kind doen."Zoo dus klonk zijn verwijt en zijn schreden wendde hij stadwaarts.Maar vrouw Venus omtuinde de gaanden met duistere luchten;Met veel nevel bekleedde zij hen, dat niemand ze zien kon,Of hen aan kon raken of oponthoud schaffen of vorschenNaar het doel van hun komst. En vlood toen zelve, verheerlijkt,Door de lucht naar Paphos heen en zag blijde haar woonplaats,Waar haar tempel is, weer, daar waar, op de honderd altaren,Brandt de Sabaische wierook en geuren de versche guirlanden.Zij terwijl gingen haastig den weg, dien het voetpad hun aanweesEn beklommen alreede den heuvel, die, 't hoogste van d' omtrek,Nederziet op de stad en de over hem liggende burchten.En Aeneas bewonderde daar, waar vroeger slechts huttenWaren, d' ontzaglijken bouw en de poorten, 't gewoel en de straten.IJverig was er het volk in de weer; een deel om de murenOp te trekken, aan 't bouwen van 't slot en aan 't wentlen der steenen;Sommigen kozen een plek voor hun huis en ploegden de vore;Rechters en vroedschappen wezen zij aan, de geheiligde vadren;Anderen groeven de havens of legden de breede fundeeringVoor den schouwburg der stad en d' ontzagwekkende pijlersHieuwen zij elders weer weg uit de rots, straks het rijzige sieraadVan het toekomstig tooneel. Zooals ook de bijen aan d' arbeidZijn in 't begin van den zomer, bij middagzon, tusschen de bloemen,Als zij de jongren van 't volk naar buiten voeren en als deVloeibare honing te zaam wordt gepropt en de cel van den zoetenNectar doet zwellen, terwijl zij die komen van vrachten ontlastenOf 't lui vee van de hommels geordend hun stallen versperren;'t Werk gonst alom en hoe geurt naar den thijm de welriekende honing."Ach de gelukkigen die hun stad reeds thans zien verrijzen!"Zoo Aeneas en keek naar de hoogste gebouwen der stad op.Toen, door den nevel omhuld (hoe wonderlijk om te verhalen!)Mengde hij zich in 't gewoel van de mannen en niemand bemerkt hem.In het midden der stad was een woud, vol verkwikkende schaduw,Waar de Puniers eens, van het stampen der zee en de stormenMoede, den kop van een paard uit den bodem hadden gegraven,(Juno's beschik), 't eerste teeken der stad, dat een toekomst beduiddeMachtig in d' oorlog, door d' eeuwen heen en vol bloeiende welvaart.En alhier dus wrocht thans Dido voor Juno een tempel,Mateloos groot en door schenkingen rijk en door gunst van de Godheid.Want de trap was van brons, zoo de drempel en bronzen kolommenTorschten de balken van 't dak en brons was de poort door scharnierenKnarsens gedragen. En daar, in dat woud, heeft voor 't eerst, bij Aeneas,'t Zien van iets nieuws zijn vreeze gelenigd, weer durfde hij hopenEn, in zijn toestand vol zorg, wies weder een beter vertrouwen.Want terwijl, in d' onmeetlijken tempel, hij wachtte, op 't komenDer vorstin en alles bezag en den voorspoed der vesteEn der kunstenaars kunst en den omvang van 't werk heeft bewonderd,Vond hij daar den Ilischen strijd naar orde verbeeld, denOorlog reeds door de faam aan heel dees wereld verkondigd:Priamus en de Atriden en, beiden verderflijk, Achilles.Schreiend bleef hij staan: "Achates, waar vind ik nog landen,Waar nog oorden die ng niet vervuld zijn van onze ellende?Zie daar is Priamus! Hier, ook hier, is een prijs voor de glorieEn het gebeuren het schreit en het menschelijke klopt aan de zielen.Ban uw vrees: die bekendheid, hoe ook, is een deel onzer redding."Sprak het en zijn gemoed ging te gast op die ledige beelden,Met zoo menige zucht, en de tranen bedauwden zijn kaken.Want hij zag er verbeeld, hoe, rondom Pergamum strijdend,Hier de Danars ontvluchtten en Ilions jeugd ze achtervolgde,Dr weer het Phrygische heir: de helmboschwuivende AchillesJoeg, op zijn wagen, ze na! Daarnaast herkent hij de witteTenten, verraden door d' eersten slaap, het leger van Rhesus,Dat Diomedes verheert. Hij droop van d' ontzaglijke slachting,Rood van bloed en de vurige rossen geleidt hij der vloot toe,Eer zij Troje's weiden begraasden, de Xanthus hen laafde.Elders Trolus weer, op de vlucht en de waapnen verloren,Die rampzalige knaap, die zwak was en streed met Achilles;Door zijn paarden wordt hij gesleept, aan den ledigen wagenHangend, de teugels nog vast, achterover, zijn nek en zijn harenSleuren over den grond en zijn lans schrijft een streep door het stof heen.En, dien zelfden tijd, gingen Troje's vrouwen ten tempelDer vijandige Pallas, zij sloegen de borst met de handen,Los van haren, als smeeklingen droef en ... zij brachten den mantel:Zij, de Godin in haar onwil, hield d'oogen gericht op den bodem. Zo, wie volgt??!!


Bericht bewerkt (17-03-2004 19:15)

"Gitaren zijn net vrouwen: ze hebben vaak verschillende stemmingen."
Wantijpop 2013 berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Jeroen
Datum: 17/03/2004 19:47

Wim wint.
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Anonieme bezoeker
Datum: 17/03/2004 19:50

Ja, mooie oneliner, die van Wim knipoog En wat doet die smilie daar halverwege de tekst? Hadden ze die toen ook al? knipoog

ROTFL ik durf niet te volgen... Ik houd "d'oogen gericht op den bodem" en ga heen in stilte...


Bericht bewerkt (17-03-2004 19:52)
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Pieter Koster
Datum: 17/03/2004 20:03

Wellicht kan Wim in het kader van de educatie ook nog een hoofdstukje uit de Ilias of Odyssee van Homerus declameren?
Wel met de originele Griekse tekst graag!
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Steef
Datum: 17/03/2004 20:06

Pardonnez-moi voor mijn foute spelling... *buigt neer voor oplettendheid* aanbiddend


Verder dan dat kom ik ook niet hoor...
berichtRe: ouwe hoeren
Gepost door: Anonieme bezoeker
Datum: 17/03/2004 20:45

@Wim:
PAS OP, anders krijgen je exact dezelfde situatie als een tijdje geleden, toen jij (tijdelijk) afscheid nam van gitaar.net. Kijk uit aan wie (of wat) jij de meeste aandacht schenkt.
Pagina's: 1 2 3 Alle Volgende Huidige pagina: 1 van 3
top

Bericht
Sorry, alleen geregistreerde gebruikers mogen berichten plaatsen in dit forum.

Klik hier om in te loggen